Preek over Jesaja 40:12-31

2014-05-25 v.m.

Ds. A. van der Dussen

De nabijheid van de verheven God

Liturgie:

♪ E58 – Groot is uw trouw, o Heer
♪ Psalm 84: 1, 2
Jesaja 40: 12-31
♪ Psalm 33: 4, 7
♪ Gezang 427: 1, 6, 7
♪ E165 – Uw Woord is een lamp voor mijn voet
♪ E9 (Geloofsbelijdenis)

Bittere klacht

Bijna aan het einde van deze grandioze profetie citeert de HERE God de bittere klacht van zijn volk in de Babylonische ballingschap (597-539 voor Christus):

Mijn weg blijft voor de HEER verborgen,
mijn God heeft geen oog voor mijn recht.

Dat wil zoveel zeggen als:

God vergeet ons. Het ontgaat Hem dat ons leven eindigt in een catastrofe. Hij steekt geen hand uit om ons te helpen.

Bedenk daarbij dat de Israëlieten al zo’n vijftig jaar verbannen waren van hun vaderland als deze woorden klinken. Alles wat de profeet vanaf vers 12 naar voren brengt is bedoeld als een reactie op deze uiting van wanhoop en teleurstelling. En zo is dit Bijbelgedeelte ook voor ons van belang. Dat gevoel dat God geen hand uitsteekt om te helpen, en dat het soms is alsof Hij een heel andere kant opkijkt juist wanneer wij Hem nodig hebben, kan immers ook bij christenen de kop opsteken. Als u niet zelf die vertwijfelde vraag stelt, kunt u ‘m ongetwijfeld door sommige van uw medechristenen horen stellen:

Is er nog wel Iemand daarboven?!

In deze preek wil ik de machtige woorden van Jesaja daar tegenover stellen, met de bedoeling dat u in het vertrouwen op God weer nieuwe energie krijgt om te dragen wat zwaar valt. Daarbij valt alle nadruk op de grootheid en verhevenheid van God de HEER. De kern van wat de profeet ons wil zeggen is dit:

Wat klaagt u over God, en wat moppert u over Hem? Als u ook maar enig idee zou hebben van zijn onvergelijkelijke grootheid, zou u zulke tonen niet aanslaan! Vertrouw liever op Hem, en sta open voor het geschenk van zijn Geest!

Wonderlijke vragen

In vers 12 stelt de profeet wonderlijke vragen aan zijn hoorders:

“Heb jij dat wel eens gedaan,
  • met de holte van je hand de Noordzee leeggeschept?
  • met een liniaal het hemelgewelf opgemeten?
  • met een maatlepel bepaald hoeveel grond zich precies in Nederland bevindt?
  • met behulp van een weegschaal vastgesteld hoeveel de Alpen wegen?
Op al deze vragen moet het antwoord natuurlijk ’nee’ zijn. Wat een nonsens om zo iets te willen! “OK,” zegt Jesaja, “maar even grote nonsens is het om de geest van de HEER te willen meten!” (vers 13) Opvallend is, dat hij hier hetzelfde woord ‘meten’ gebruikt als in vers 12. De geest van de Heer willen opmeten is even absurd als de hemel willen meten met een liniaal. Zo maakt Jesaja duidelijk, dat wij over God niet kunnen spreken en denken zoals wij dat doen over de ons bekende spelers op het toneel van de wereldgeschiedenis. Dat verwijt, dat Hij je vergeet en een andere kant op kijkt terwijl je Hem nodig hebt, behelst maar al te gauw iets van beoordeling. Je beklag doen over God gaat voor je het weet over in het bekritiseren van Hem. En dát past een mens niet. Vergelijk 45:9-11:

Zegt klei soms tegen wie hem vormt: ‘Wat ben je eigenlijk aan het maken?’
of: ‘Deze pot heeft niet eens oren!’
Wee degene die tegen zijn vader zegt: ‘Wat heb je verwekt?’
en tegen zijn moeder: ‘Wat hebben je barensweeën gebracht?’

God is van een andere orde dan welke speler op het wereldtoneel dan ook. Hij is onvergelijkelijk! (vers 18, 25; 46:5) Daarom gaat het niet aan Hem te bekritiseren of op het matje te roepen. Zie ook vers 13 en 14:

Heeft Hij ooit een mens nodig gehad om Hem raad te geven?

Heeft ooit een mens zijn hand beetgepakt en gezegd: “Deze kant op!”

Is er werkelijk iemand in het heelal die de HERE God kan vertellen hoe Hij de zaken het beste kan aanpakken?

Je nood klagen aan God – dar is niets mis mee. Maar op het moment dat wij Hem ter verantwoording roepen, of Hem - tussen de regels door - te kennen geven dat wij beter weten dan Hijzelf hoe Hij zou moeten handelen, verlagen wij Hem tot een wezen dat wij de maat kunnen nemen. Werkelijk: God is oneindig verheven boven ons. Dat nodigt ons uit om radicaal te stoppen met het aanleggen van onze maatstaven om zijn beleid te beoordelen.

Machtige volken

Diezelfde verhevenheid wordt belicht in vers 15.

In zijn ogen zijn de volken als een druppel in een emmer, als een stofje op een weegschaal.

De volken betekenen niets in zijn ogen, voor Hem zijn ze minder dan niets.

Een stofje op een weegschaal – dat is volkomen verwaarloosbaar. Wie stoft ooit zijn keukenweegschaal af om nauwkeuriger het meel voor de appeltaart te kunnen afwegen?! En wie maakt er een punt van dat hij bij het sjouwen met een emmer water de druppels verliest die eronder hangen? Zo nietig als die druppels zijn in Gods ogen de volken. Bedenk bij deze uitspraak, dat de Israëlieten nu juist zeer onder de indruk waren van de wereldmacht van Babel. Juist met het oog op dat machtige volk zegt Jesaja; “Voor God is dat een nul. Een stofje op een weegschaal. Een druppel aan een emmer.” Werkelijk: wat voor ons vervaarlijk groot en machtig is stelt voor de HEER niets voor. Zo onvergelijkelijk groot en verheven is Hij. Laten wij dat overwegen als wij tobben over een opkomende wereldmacht als China met zijn 1,3 miljard (1.300.000.000 !) mensen. Wat zal het veranderende machtsevenwicht in de wereld ons brengen? Wat zullen de gevolgen zijn als dat enorme volk steeds meer economische en militaire macht ontplooit? Vanuit ons menselijk perspectief zijn die bange vragen legitiem. Maar vanuit een goddelijk perspectief legt het Chinese volk geen enkel gewicht in de schaal, net zo min als de ‘groten der aarde’ (vers 23) En dus is de vraag aan Israël en aan ons:

Waar zijn jullie eigenlijk bang voor? Laten jullie je niet te veel imponeren door aardse grootheden? Denk je nu echt dat God werkeloos terzijde staat en een andere kant opkijkt terwijl jullie het hoofd nauwelijks meer boven water houden?

Ook in dat opzicht halen wij God op een onaanvaardbare manier naar beneden, wanneer wij ons het beeld vormen dat Hij de andere kant opkijkt terwijl wij Hem nodig hebben. Alsof Hij niet soeverein heerst over de wereld waarin wij onze weg zoeken!

Dichtbij

Zo gaat het nog even door in Jesaja 40. Het is de moeite waard om die lange reeks uitspraken die Gods verhevenheid benadrukken thuis op je te laten inwerken. Maar ik ga nu met u door naar de slotverzen. Want daar gebeurt iets opmerkelijks. Dit: dat God zijn bange volk met naam en toenaam aanspreekt:

Jakob, waarom zeg je – Israël, waarom beweer je:
Mijn weg blijft voor de HEER verborgen,
mijn God heeft geen oog voor mijn recht.

Een sensationele omslag is dit. Zo-even werden de volken getypeerd als volkomen onbeduidend – een stofje op de weegschaal. Nu ineens staat dat verwaarloosbaar kleine groepje Israëlieten voor Gods ogen als een volk dat een náám heeft. Die grote God blijkt dat clubje bange mensen te kennen! Ineens komt Hij heel dichtbij. Hij neemt hun klacht wel degelijk serieus! Je zou kunnen zeggen: hier wordt iets zichtbaar van Gods neerdalen op arde in zijn Zoon, Jezus Christus. De hoog verheven Heer bukt zich als het ware om jouw huis binnen te komen en aan de keukentafel met jou een praatje te maken:

Gaat het wel goed met jou?


De profeet loopt hier vooruit op wat hij later zal zeggen: dat God zijn volk bij de naam geroepen heeft! (43:1) Dat is uitverkiezing! En zo bukt die hoog verheven Heer zich in Christus ook om tot óns te naderen en dichtbij óns te zijn, in liefdevolle zorg en ontferming. Juist doordat eerst die machtige verhevenheid van de HEER breed is uitgemeten, is het zo’n groots evangelie dat aan het eind van dit hoofdstuk Gods nabijheid tot uitdrukking wordt gebracht. Het evangelie van Christus heeft het nog steeds nodig dat het verhaal van Gods neerdalen tot ons wordt verteld tegen de achtergrond van zijn ongenaakbare hoogheid. Zonder die achtergrond wordt het verhaal van Jezus mierzoet en sentimenteel. Alleen als wij steeds voor ogen houden dat God onvergelijkelijk is en dat wij Hem nooit de maat kunnen nemen, wordt het evangelie dat Hij in Christus onze Vader wil zijn een boodschap die zijn glans en betekenis zal behouden.

De Geest

Het troostvolle evangelie dat de machtige God onze Vader wil zijn, beheerst ook de laatste verzen van Jesaja 40. Ik wijs nog op vers 28 en 29. Eerst vers 28:

Hij wordt niet moe, Hij raakt niet uitgeput.

Hier gaat het over God in relatie tot zijn schepping. Je zou kunnen denken dat God in de loop van de eeuwen motivatie verliest om met die weerbarstige wereld bezig te blijven. Maar daarvan is geen sprake. God is niet als iemand die te lang één en dezelfde job uitoefent en daardoor met steeds minder interesse zijn bezigheden verricht. Nee – God is nog even betrokken op zijn schepping als toen Hij haar schiep! Wij mogen soms het gevoel krijgen dat het Koninkrijk van God achter de horizon verdwijnt, zó lang als we er al op wachten – God de Heer is er nog precies even alert mee bezig als toen hij zijn Zoon opwekte uit de dood. Met onuitputtelijke energie houdt God zich bezig met het project dat Hij ooit startte. En iets van die energie deelt Hij aan ons mee, vers 29:

Hij geeft de vermoeide kracht, de machteloze geeft Hij macht in overvloed.

Dit is het evangelie ten voeten uit. Machtige volken zijn als niets in Gods ogen, maar nietige, machteloze mensen beurt Hij op en doet hij delen in zijn eigen macht en sterkte. Anders gezegd: God stort zijn Geest uit over zijn bange, moedeloze volk. God heeft voor ons niet weggelegd dat wij Hem begrijpen. Maar Hij komt ons wel op andere wijze tegemoet: iets van zijn eigen Geestdrift en kracht brengt Hij op ons over. Neem die Geest van Hem aan! Vermoei Hem niet met kritiek en betweterij, maar ontvang van Hem de Geestkracht om hoopvol verder te leven, gericht op zijn komen. Zie vers 31:

Wie hoopt op de HEER krijgt nieuwe kracht.

We weten dat uit ervaring: hoop doet leven. Op een lange bergwandeling, als je niet meer verder kunt en op het punt staat op te geven, krijg je nieuwe energie als je ineens in het dal het stadje ziet liggen waar naartoe je op weg bent. Je hoop vestigen op de machtige God – dat geeft energie. Zo deelt de Geest zich mee aan ons als wij vol verwachting blijven uitzien naar Christus. Dan vindt iemand, die ’s morgens opziet tegen de dag die voor hem ligt, de moed om toch op te staan. God belooft het ons, dat Hij ons in de kracht van zijn Geest moed wil geven. Ik eindig daarom met het appèl van psalm 27:14:

Wacht op de HEER,
wees dapper en vastberaden,
ja, wacht op de HEER.

Amen.

N.B. Indien U een preek anders dan voor uzelf wilt gebruiken, stelt ds. van der Dussen een e-mailbericht aan hem op prijs. Wil hem ook vermelden als bron van de preek.