Preek over Galaten 1:6-9 en Hebreeën 1:1-4

2008-02-24 n.m.

Ds. A. van der Dussen

Hoezo 66 bijbelboeken?

Liturgie:

♪ E133
♪ Psalm 117
♪ Psalm 34:4
♪ E177:1, 4, 5
♪ Gezang 102
♪ Gezang 476:4, 5

1. Wantrouwen

Waarom dit onderwerp gekozen voor deze themadienst? Omdat we in een cultuur van wantrouwen leven. Dat wantrouwen richt zich ook op de kerkelijke traditie. Zijn we misschien door de kerk op het verkeerde been gezet als het gaat om de inhoud van de Bijbel? Heeft de kerk misschien bewust informatie achtergehouden die niet in haar kraam te pas kwam? Collega De Jong heeft deze vraag beantwoord toen er ineens veel belangstelling bestond voor het Judas-evangelie. Ik trek het vanmiddag breder, door weer te geven hoe de bijbelse canon tot stand is gekomen. Mijn boodschap is: u kunt het vertrouwen, dat we in de kerk een Bijbel gebruiken met als inhoud deze zesenzestig boeken.

2. Canon

Eerst het woord 'canon'. Het wordt de laatste tijd gebruikt om aan te duiden wat iedere Nederlander zou moeten weten over de Nederlandse geschiedenis. Dat is dus de betekenis van het woord: dat wat maatgevend, verplichtend is. De canon voor het christelijk geloof richt zich op Jezus Christus. Zo is de kerk begonnen: vanuit het besef dat het beslissende over God gezegd is met de verschijning van Jezus Christus, van wie bericht wordt dat Hij gekruisigd en opgestaan is. Zo Hebreeën 1:1-4: met Hem bereikt Gods openbaring aan de mensen het hoogtepunt; daarna kwam niets dat nog iets essentieels toevoegde. Canoniek voor de kerk is dus een persoon: Christus. Dat weerspiegelt zich in de bundeling geschriften die wij kennen als 'het Nieuwe Testament': daarin staat Hij centraal. Maar zijn komst had een voorgeschiedenis. Reeds eerder had God gesproken, en wel door Israëls profeten. Canoniek is dus ook het profetenwoord. Ofwel: het Oude Testament. Omdat het de kerk te doen is om God openbaring in Christus, biedt zij de wereld dus een betrouwbaar verslag van zowel zijn optreden als de voorgeschiedenis daarvan. Dat verslag vinden we in de Bijbel.

3. Het Oude Testament

Al zo'n tweehonderd jaar voor Christus beschikten de Joden over een verzameling heilige boeken. Daarin waren de meeste profetenwoorden opgenomen, de vijf boeken van Mozes (Genesis - Deuteronomium), veel historische verhalen over de tijd van de rechters en de koningen, en de psalmen en Spreuken. Al gauw ontstond de gewoonte om over drie soorten geschriften te spreken: de wet, de profeten en de geschriften (vgl. Lucas 24:44). De Joden, die niet spreken van het Oude Testament omdat ze geen Nieuw kennen, gebruiken de eerste letters van die drie groepen om hun Heilige Schrift aan te duiden: TeNaCH. Let wel: het was een verzameling geschriften, geen ingebonden boek. Er was ook niet afgesproken welke boeken er nu precies wel bij hoorden en welke niet. Dat duurde tot in de tijd van Jezus en Paulus, zo dat Paulus een citaat kan geven uit de Heilige Schrift dat mogelijk uit een ander boek afkomstig is dan wij nu in het Oude Testament hebben staan (de Openbaring van Elia, aangehaald in I Corintiërs 2:9?). Pas na de verwoesting van de tempel stuurden de Farizeeën aan op een duidelijke afgrenzing. Maatstaf was, dat de Heilige Schriften gekoppeld moesten zijn aan de periode van Mozes tot Maleachi, de laatste profeet. Discussie was er over Hooglied, Prediker en Ester. Uiteindelijk makten ook die deel uit van de 'Joodse canon'. Overigens heeft de kerk deze Joodse canon niet automatisch overgenomen. In Turkije bijvoorbeeld erkenden de christenen het boek Ester niet. De kerk van Rome trok de grens juist ruimer en erkende ook de zgn. 'apocryfe' (= verborgen, 'ondergeschoven') boeken zoals Jezus Sirach en Maccabeeën. Met andere woorden: er zit voor de kerk een rafelrand aan het Oude Testament. Daar hoeven we niet zenuwachtig van te worden: het hart van het Oude Testament - wet, profeten en geschriften - is onomstreden.

4. Het Nieuwe Testament

Toen kwam Jezus Christus. Voor zover wij weten heeft Hij niets opgeschreven. Er was wel een mondelinge overlevering van zijn worden. Al gauw ontstonden schriftelijke bundelingen daarvan: de evangeliën. Daarnaast waren er de officiële getuigen van Christus: de apostelen. Hun gezag is groot. Dat blijkt wel uit Galaten 1:6-9, waar Paulus absolute waarde toekent aan zijn eigen apostolisch onderricht. Het enige beeld van Christus dat gelding heeft in de kerk, is door de apostelen geschetst. Elk ander beeld, al zou het getekend zijn door een engel uit de hemel, is vals! Nu werden ook de woorden van de apostelen aanvankelijk mondeling overgeleverd. Toen de tijd verstreek ontstond de behoefte aan schriftelijke vastlegging. In dat verband werden ook de brieven die zij geschreven hadden belangrijk. Langzamerhand werden zo de contouren zichtbaar van een nieuwe bundeling geschriften: de evangeliën met woorden van de Heer, en het onderricht van de apostelen, samengevat in hun brieven. Deze geschriften kregen een vergelijkbaar gezag als de Heilige Schrift van het Oude Testament. Niet overal waren dezelfde geschriften in tel. In sommige dele van de kerk keek men bijvoorbeeld kritisch aan tegen het evangelie en de Openbaring van Johannes. Omgekeerd waren er kerken die boeken hoogachtten die in onze Bijbel niet zijn opgenomen, zoals de brief van Barnabas. Men ging daar relaxed mee om; ook aan het Nieuwe Testament zat een 'rafelrand'! Maar van lieverlee ontstond de behoefte om één lijn te trekken, zeker ook omdat men te maken had met een stortvloed van geschriften die meer syncretistisch dan christelijk waren. Uit een schrijven van aartsbisschop Athanasius van Alexandrië (367) weten wij, dat hij toen de canon erkende zoals wij die kennen. Langzamerhand heeft het grootste deel van de kerk in zowel het Oosten (Grieks) als het Westen (Rome) die overgenomen. Alleen in Syrië hanteerde men jarenlang een beknoptere canon.

5. Betrouwbaar

Gelet op het karakter van de huidige canon kunnen wij er vertrouwen in hebben dat de kerk niets belangrijks heeft achtergehouden. Het proces dat heeft geleid tot de vorming van de canon heeft zich niet in achterkamertjes afgespeeld. Er is een open, publieke discussie gevoerd, waarbij men op zijn hoede was voor subjectieve voorkeuren. Uiteindelijk gaven twee dingen de doorslag: trouw aan de apostolische verkondiging, en zeer brede overeenstemming. Wat het eerste betreft: men erkende alleen die geschriften waarin de gezaghebbende leer van de apostelen is weergegeven. Men zei ook alleen maar 'ja' tegen geschriften die aansloten bij de eerste apostolische getuigenissen. Wat pas ontstond toen de tweede generatie christenen gestorven was deed niet meer mee. In de tweede plaats is de canon de neerslag van het algemeen, ongetwijfeld christelijk geloof. Bij het vatstellen ervan hanteerde men het criterium van de katholiciteit: alleen datgene waar grosso modo heel de kerk het mee eens was, gold als betrouwbaar. Juist het bestaan van een 'rafelrand' wekt zo gezien vertrouwen: over de kern is iedereen het eens! Dat in onze cultuur van wantrouwen twijfel gezaaid wordt over de samenstelling van de canon heeft zo gezien iets duisters. Laat u er niet door in verwarring brengen. We hebben alle reden om erop te vertrouwen dat, dankzij de leiding van de Heilige Geest, de Bijbel ons inderdaad het betrouwbare beeld schetst van onze Heer en Heiland Jezus Christus.

Amen

N.B. Indien U een preek anders dan voor uzelf wilt gebruiken, stelt ds. van der Dussen een e-mailbericht aan hem op prijs. Wil hem ook vermelden als bron van de preek.