Preek over Openbaring 17

2001-04-01 v.m.

Ds. A. van der Dussen

Het eind der tijden

Liturgie:

1.

Dit bijbelboek richt zich heel speciaal tot een bepaalde groep lezers: de zeven gemeenten in Azië (1:4). In 1:11 wordt duidelijk welke gemeenten dat zijn: die te Efeze, Smyrna, Pergamum, Tyatira, Sardes, Filadelfia en Laodicea. Het betreft hier bijna allemaal grote steden in het Westen van het huidige Turkije. Daar hadden zich christelijke gemeenten gevormd; voor die gemeenten is dit bijbelboek bestemd. Het heeft de gestalte van een brief gekregen. In 1:4 vinden we de briefaanhef zoals die ons uit de brieven van Paulus bekend is: schrijver - lezers - groet. Voorts eindigt het boek zoals de brieven van Paulus eindigen: met een groet, 22:21. Het is nadrukkelijk de bedoeling van de schrijver dat deze brief in de zeven gemeenten wordt voorgelezen (1:3): de woorden van de profetie moeten niet zozeer gelezen en bestudeerd als wel gehoord worden. We zullen dan ook aan liturgisch gebruik van dit bijbelboek moeten denken. Vgl. I Korinthiërs 14:26, in de samenkomsten van de gemeente is plaats voor 'openbaringen' van profeten (vgl. vs. 30). Johannes is zo'n profeet. Hij biedt zijn 'openbaring' aan aan de zeven gemeenten in Azië, in de vorm van een brief, met de bedoeling dat die wordt voorgelezen in de samenkomsten van de gemeente.

2.

Het is van belang om dit voor ogen te hebben bij de bestudering van dit bijbelboek. Want wat betekent dit? Dat we de Openbaring van Johannes niet moeten zien als een boek met informatie die slechts relevant is voor de christenen van de 21e eeuw! Zo wordt het wel vaak voorgesteld: dat al die wonderlijke visioenen als het ware eeuwen lang in de kast moesten liggen, totdat eindelijk de generatie kwam voor wie ze bedoeld waren. Nee, het is net als met de brieven van Paulus: wij lezen teksten die in eerste instantie niet voor ons bestemd waren maar voor gemeenten in de eerste eeuw. Dat neemt niet weg dat in die brieven veel staat dat voor ons belangrijk is en waar we onze winst mee kunnen doen. Maar denk niet dat de schrijver ons en onze tijd al op het oog had. Dat had hij niet. De dingen waarover hij schrijft moeten 'na dezen' geschieden, (vs. 1:19; 4:21). Dat wil dus zeggen dat de visioenen betrekking hebben op de tijd die volgt op het heden waar de zeven gemeenten in Azië in leven. Dat zie je ook daaraan, dat motieven uit de boodschappen die in de hoofdstukken 2 en 3 naar elke gemeente afzonderlijk worden geschreven, terugkeren in de visioenen. Vergelijk bijvoorbeeld 2:7 met 22:2,14; 2:11 met 20:6; 2:14,20 met 17; 2:16 met 19:15,21; 2:27 met 12:5; 19:15; 3:4,5 met 6:11; 7:9; 3:12 met 21:2. Die wonderlijke beelden slaan dus niet op tijden waar de mensen van toen geen vermoeden van konden hebben. Daarom doe je dit bijbelboek geweld aan als je er openbaringen in zou lezen over Rusland of de Europese gemeenschap. Nee, de openbaringen die Johannes gekregen heeft gaan over ontwikkelingen waarbij de gemeenten in Azië belang hadden. Dat betekent niet dat ze voor ons oninteressant zijn. Integendeel, door de eeuwen heen hebben de christenen begrepen dat dit bijbelboek een blijvende boodschap heeft. Maar je komt die pas op het spoor als je eerst vanuit het perspectief van de eerste eeuw naar deze profetieën luistert. Enkele voorbeelden van die manier van uitleg wil ik u vanmiddag en volgende week zondag geven.

3.

Vanmiddag Openbaring 17. Dat heb ik gekozen omdat uit dit hoofdstuk zo duidelijk blijkt dat wat Johannes zag in eerste instantie bedoeld was voor de zeven toenmalige gemeenten in Azië. De betekenis van de wonderlijke beelden (vs. 1b-6a) wordt in vs. 8-18 uitgelegd. De vrouw rust op een beest met zeven koppen. Die zeven koppen staan volgens vs. 9 voor zeven bergen, en de vrouw is volgens vs. 18 'de grote stad, die het koningschap heeft over de koningen der aarde'. Welnu, deze aanduidingen volstaan om met zekerheid vast te stellen dat met de vrouw de hoofdstad van het Romeinse rijk bedoeld is: de stad Rome. Die stad is namelijk gebouwd op zeven heuvels en de zetel van het keizerlijk bewind over het wereldrijk dat zich uitstrekte van Engeland tot Syrië, van Duitsland tot Egypte. Het visioen dat Johannes hier krijgt heeft de politieke en religieuze verhoudingen verwerkt waarmee de gemeenten in Azië te maken hadden. Want zij maakten deel uit van het Romeinse rijk. In die steden stonden tempels waarin de keizer vereerd werd en in Efeze was een kolossaal standbeeld opgericht voor Domitianus, de keizer in wiens tijd dit bijbelboek vermoedelijk geschreven is. Nog een veelzeggend detail: volgens vs. 3 was het beest 'vol van godslasterlijke namen'. Nu weten wij, dat Domitianus gehuldigd werd met de titels 'onze heer en god', precies de titels die volgens 4:11 alleen de HERE toekomen! Vandaar het beeld van de 'hoer', dat in de bijbel zo vaak verwijst naar 'religieus overspel': het toekennen van goddelijke eer aan andere machten dan de HERE. Dit visioen beeldt dus een regime uit met de religie waarvan de christenen het buitengewoon moeilijk hadden, en dat op zijn beurt niet veel met de christenen op had. Zij weigerden namelijk mee te doen aan de keizercultus die in Klein-Azië volop aan de orde was. Vandaar de notitie in vs. 6: het bloed van de christenen werd vergoten. De naam 'Babylon' (vs. 5) laat zich verklaren uit het feit dat vanuit deze stad het bevel was gekomen om Jeruzalem te verwoesten, hetgeen herinneringen opriep aan de verwoesting van Jeruzalem door de Babylonische koning Nebukadnessar. Ook vs. 8 en volgende worden duidelijk tegen de achtergrond van wat wij uit die tijd weten. Daar is sprake van 'het beest dat was en niet is en zal opkomen'. Dat lijkt op wat in vs. 1:4 van God gezegd wordt: "Hij die is en die was en die komt". Het is dus een aanduiding van de antichrist. Maar er is meer aan de hand. Volgens vs. 10 zijn de zeven koppen niet alleen symbool van de zeven heuvels waarop Rome gebouwd is. Maar ook van zeven koningen, dat wil zeggen zeven keizers. En wat zegt vervolgens vs. 11? Dat het beest een van die zeven keizers is en straks, als de zevende keizer korte tijd geregeerd heeft, diens plaats zal innemen. Het gaat dus om een keizer uit het verleden, ('die was'), die er nu niet is, maar er straks weer zal zijn, en zich dan als het beest uit de afgrond zal presenteren. Dat moet slaan op keizer Nero, die in het jaar 68 zelfmoord had gepleegd en van wie het verhaal de ronde deed dat hij in werkelijkheid niet dood was maar zich in het Oosten schuil hield en van daaruit opnieuw de macht zou grijpen. Keizer Nero nu stond bekend als de bloeddorstigheid tegen de christenen zelve - het beest ten voeten uit!! Kortom, hier wordt voorspeld dat de christenen het straks nog erger te verduren krijgen, vgl. vs. 14a. Tegelijk wordt er hoop gewekt: het Lam zal deze antichristelijke krachten overwinnen, vs. 14b. En - hoe wonderlijk - uiteindelijk zal het geweld zich tegen Rome zelf keren, vs. 16, hetgeen niet toevallig gebeurt maar onder de regie van God zelf. Zo zet deze profetie een streep onder de oproep aan bijvoorbeeld de gemeente te Smyrna: "Wees niet bevreesd voor wat gij lijden zult. Zie, de duivel zal sommigen uwer in de gevangenis werpen, opdat gij verzocht wordt, en gij zult een verdrukking hebben van tien dagen. Wees getrouw tot de dood en Ik zal u geven de kroon des levens."

4.

Lukt het nu om vanuit dit perspectief van de eerste eeuw ook een boodschap op te vangen voor de latere geschiedenis? Nou en of! Want wat zo treffend is in de uitleg van dit visioen, is toch vooral de hoop die eruit spreekt. De christenen worden bemoedigd met de boodschap dat al dat antichristelijk geweld niet in staat is het Lam te overwinnen en door God zelfs gebruikt wordt om zijn rechtvaardig oordeel te voltrekken. Wat geeft dat een moed. Ook met het oog op de lange geschiedenis die nog zou volgen op de val van het Romeinse rijk. Iemand heeft gewezen op de "vreselijke en mysterieuze wet van de politieke geschiedenis, volgens welke elke revolutionaire kracht in zichzelf het zaad bevat van de zelfvernietiging" (Hanns. Lilje, The last book of the Bible, zie Mounce, The Book of Revelation 319). Wat is dat waar. De Franse Revolutie keerde zich tegen zichzelf; het Derde Rijk van de nazi's liep uit op een catastrofe voor Duitsland zelf; de Sovjet-Unie heeft zichzelf verteerd, enzovoorts. Dat wijst op de vruchteloosheid van al die grootse pogingen om een heilsstaat op te richten. Maar volgens Openbaring 17 wijst het ook op de soevereiniteit van God over de geschiedenis. De macht van het kwaad wordt een werktuig in zijn hand om de wereld te oordelen. En op de puinhopen richt het Lam zijn Koninkrijk op. Dat is het christelijk perspectief voor de wereld. Zo wil dit wonderlijke hoofdstuk uit dit wonderlijke bijbelboek ertoe bijdragen dat wij een hoopvolle gemeente zijn in een wereld vol dreiging.

Amen

N.B. Indien U een preek anders dan voor uzelf wilt gebruiken, stelt ds. van der Dussen een e-mailbericht aan hem op prijs. Wil hem ook vermelden als bron van de preek.